‘Ik blijf in 2021 een secret angel’

Maandenlang probeerde ik de plaag die aan bijna alles in 2020 onwerkelijke proporties gaf rond te denken. Dus oorzaak, gevolg en oplossing op een rij te krijgen. Om daarmee wat meer vermeende vaste grond onder de voeten te hebben om het leven in coronatijd te leven.

Zeker, ik haal die prik en motiveer mijn oudere moeder hetzelfde te doen

Het vertrouwen in een oplossing was in het begin groot, toen COVID-19 in veler beleving nog slechts een kortdurend ongemak was. Groot maar diffuus, dat wel. Staan immers omvang, aard en proces van het probleem niet vast dan is uitkomst bieden een wankel ding, zo bleek. Via groepsimmuniteit, afstandsregels, mondkapjes, isoleren en massaal testen kijken we op dit moment reikhalzend uit naar wat Beatrice de Graaf laatst ‘the magic bullet’ noemde: hét coronavaccin. ‘We staren ons blind op deze oplossing.’

Toen ik het haar daags voor Kerst hoorde zeggen, onderkende ik bij mezelf een dieper geloof in die ‘magic bullet’ dan ik zou wensen. De prik als einde van een episode waarin ook mijn comfortabele leven ongevraagd ontdaan werd van wat het nóg beter maakt. Zeker, ik haal die prik en motiveer mijn oudere moeder hetzelfde te doen en niet eerst af te wachten. Dit naargeestig virus bracht naast ziekte en dood volgens schrijver Tommy Wieringa ook ‘wantrouwen in de plaats van saamhorigheid, verdraagzaamheid maakte plaats voor bitterheid en afkeer van elkaar’. Zo rap mogelijk dus de dood aan dit kwaad.

Als ‘secret angels’ verrasten we elkaar tijdens de adventsweken anoniem, ongezien en stilletjes

En toch is er het voorbije jaar iets in mij geboren dat ik in 2021 meeneem als tegengif tegen die onderlinge bitterheid en afkeer waar Wieringa over schrijft. Toen ik zijn stukje las over corona dat ‘het lelijkste in de Nederlander naar boven brengt’, moest ik denken aan de engelenactie in onze kerk. Als ‘secret angels’ verrasten we elkaar tijdens de adventsweken anoniem, ongezien en stilletjes met lekkers en bemoedigingen. Deze kleine, gedienstige blijken van liefde en verbondenheid brachten zichtbaar veerkracht in een gemeente waar, zoals in vele andere, de gemeenschapszin maandenland onder druk staat.

Ik blijf in 2021 een secret angel, nam ik mij voor. Omdat ik ervan overtuigd ben dat het ons helpt het jachtig zoeken naar een sluitende oplossing voor de pandemie los te laten en te doen wat zeker zo belangrijk is: elkaar in liefde vasthouden. 

Deze column verschijnt binnenkort in magazine OnderWeg

‘We worden misschien wel voor het eerst in ons rijke, georganiseerde leven uitgedaagd om de duurloop te lopen’

Wie ondertussen nog steeds niet sombert over de toestand in de wereld is naïef of doet aan struisvogelpolitiek. Ik had graag in deze vakantietijd een andere toon willen aanslaan, vergeef me, één die beter matcht met mijn optimistische inborst. Of is het geen optimisme maar relativeringsdrang die me bij de weer stijgende infectiecijfers bijna Pavloviaans tot de gedachte brengt ‘dat het allemaal wel mee zal vallen’?

‘Zou de dominee denken dat heilige nonchalance een wereld níet zieker kan maken?’

Nu is relativeren een ingeschapen overlevingsmechanisme voor hachelijker tijden. Het beschermt tegen wanhoop en ontdoet ongeluk van scherpe kantjes. Maar als het brengt tot nonchalance kan het ons ook zwaar doen bekomen. En die nonchalance is er in Nederland nu weliswaar Covid-19 weer opleeft maar de kans dat je bij verkoudheid of koorts positief test op dit moment nog geen 2 procent is. We gunnen onszelf vakantie – een zorgeloze graag- en hebben het ‘helemaal gehad met corona’. Dus verloederen de richtlijnen en varen er weer sloepen vol anderhalvemeterzondaren door de Amsterdamse grachten. Er wordt opeengepakt gefeest in het café en ook de kerk gaat onachtzaamheid niet voorbij viel mij op toen ik in een YouTube-kerkdienst zag dat de dominee eerst uitgebreid zijn neus snoot en direct daarna het sacrament bediende. Zou hij denken dat heilige nonchalance een wereld níet zieker kan maken?

‘Bij het teruglezen zag ik ons massaal onze leeggelopen ballonnen opblazen’

Tijdens de lockdown schreef de chronisch zieke Marjon Visser in het Nederlands Dagblad dat voor haar ‘de maakbaarheidsbubbel al zo vaak lekgeprikt is dat het opblazen ervan onbegonnen werk is.’ Praat juist nu eens om het vol te houden met iemand die langdurig niet kan doen wat hij wenst, adviseerde ze. Bij het teruglezen zag ik ons massaal onze leeggelopen ballonnen opblazen: we willen begrijpelijkerwijs zo graag terug naar het oude normaal. Vergeet het maar, vertel ik mezelf: gooi het over een andere boeg nu groepsimmuniteit definitief passé is en een effectief vaccin nog niet in zicht. We worden misschien wel voor het eerst in ons rijke, uitgebalanceerde en georganiseerde leven uitgedaagd om te doen waar Paulus in Hebreeën over schrijft: de duurloop lopen. Om met Rutte af te sluiten: ‘Hou vol!’

Deze column verschijnt volgend weekend in één van de zomeredities van magazine OnderWeg (probeer gratis).

‘Noem het omdenken dat van ons gevraagd wordt’

‘Tot nader order gesloten vanwege COVID-19’, stond er op een groot, wit plakkaat dat met tape op de kerkdeur was geplakt. Op een zondags fietstochtje viel mij de witte poster op de monumentale kerkdeur van verre al op. Het was alleen die mededeling, verder niets wat erop stond. Een kille bepaling op de ingang van een Godshuis waar juist het genadige, onvoorwaardelijke welkom toonaangevend is. Hier zit kortsluiting, besefte ik op dat moment meer dan ooit, er is echt iets goed mis in de wereld – in mineur fietste ik weg.

Ontberen doet waarderen, lijkt deze tijd ons meer dan ooit te willen vertellen

Dat we massaal de zondagse kerkgang missen nu alle kerken dicht zijn is wel duidelijk voor wie kranten en sociale media bijhoudt. Zeker, er zijn altijd uitzonderingen maar overall valt het ons zwaar al wekenlang de kerk slechts virtueel te kunnen bezoeken. We missen de gemeenschap, het samen zingen, de Geest die opeens bijna lijfelijk voelbaar kan zijn, de koffie na afloop en de hand of hug bij het weggaan. Ontberen doet waarderen, lijkt deze tijd ons meer dan ooit te willen vertellen. En ondertussen zullen we ook met Kerst onze kerken hooguit mondjesmaat mogen binnengaan, verwacht ik. Dit duurt nog wel even.

Dus is de vraag: wat gaan we doen? Inderdaad, die COVID-poster kan binnenkort iets aangepast worden en YouTube heeft ruimte voor nog honderdduizenden online kerkdiensten. Ik ben er blij mee maar ergens wringt het. De gretigheid waarmee op 6 mei na Ruttes persconferentie door predikanten en kerkgangers gevraagd werd ‘wat dit betekent voor de kerken’ zegt iets over ons hartsverlangen maar typeert ook een overfocus op de kerk als ónze exclusieve, onmisbare plek: ‘Geduld, beste medechristenen’, schreef laatst Robert Plomp. ‘Wij mogen gewoon creatief zijn en nieuwe wegen zoeken om Christus te dienen.’

‘Zorgen of problemen door COVID-19? Wij zijn er voor u, bel of mail ons.’

Noem het ‘omdenken’ dat van ons gevraagd wordt: vanuit een probleem nieuwe oplossingen verzinnen. Indrukwekkend voorbeeld daarvan is de Nieuwe Kerk in mijn geboortedorp Huizen die werd ingericht tot corona-verpleegunit. Banken eruit, bedden erin om zo een plek te zijn voor liefdevolle zorg aan de zieke naaste. Zulk omdenken kan ook op een minder ingrijpende manier. Hoe? Plak bijvoorbeeld een witte poster op je kerkdeur met de tekst: ‘Zorgen of problemen door COVID-19? Wij zijn er voor u, bel of mail ons.’

Een eerdere column over ‘zwaaipastoraat’ was 1 van de best reads van afgelopen maanden. ‘Beste mensen, dacht ik: staak je wild geraas’.

 

‘Zwaaipastoraat, daar is het nu de juiste tijd voor’

Mij valt in deze zwoegende tijd het geluk ten deel dat ik bijna dagelijks een paar ansichtkaarten mag schrijven. Op de kaartjes schrijf ik een boodschap die, voor mij vaak volslagen onbekenden aan ouders, familieleden of anderen willen doorgeven. ‘We missen u, oma’, schrijf ik op of: ‘Hou vol, dit gaat weer voorbij’, of: ‘We houden van je’. Even daarna vinden ze hun weg naar huizen en kamers waar de bewoners meestal één ding gemeen hebben: ze zitten opgesloten, volledig in quarantaine of met af en toe een stap buiten de deur.

Het is de behoefte aan verlichtende balsem voor onze geschrokken en uit balans gebrachte geesten.

Ik beschouw het elan waarmee we afgelopen weken weer volop kaarten zijn gaan posten (de postzegels zijn regelmatig uitverkocht bij onze lokale boekhandel) als uiting die een behoefte vertegenwoordigt. Het is de behoefte aan verlichtende balsem voor onze geschrokken en uit balans gebrachte geesten. Nu onze levens ontmanteld zijn van veel dat eerst gelukbepalend was en de wereld met een ontzettende schok tot stilstand kwam, is er de herwaardering van goede woorden, lieve daden en troostende blikken. De Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas gaf ooit een fijnzinnige parafrase aan deze bescheiden, simpele en veelal ongeziene uitingen van naastenliefde: ‘de kleine goedheid’. We snakken er nu naar, zoals de Belgische columnist en schrijver Hugo Camps vanuit zijn isolatie zei: ‘We hebben troost nodig, al is het maar in kleine woorden.’

De coronacrisis is alleen om die reden al een kans om ons als gelovigen van onze beste kant te laten zien: wij weten immers als geen ander wat het is om de goedheid van de Heer te proeven en genieten? Waar we ons vaak al een leven lang aan konden laven, kunnen we nu uitdelen. En dat gebeurt ook. ‘De koning, koningin, minister-president: ze zijn alle drie onder de indruk van wat kerken doen in crisistijd’, schreef Trouw laatst.

Beste mensen, dacht ik: staak je wild geraas, stap op de fiets en rijd naar het verzorgingshuis

Toch past een flinke pas op de plaats in een lofzang op onze potentie om in kwade tijden het goede te doen. Ik zie namelijk ook wat anders, iets wat lijkt te passen in het principe dat we juist in tijden van onzekerheid houvast zoeken in waar we sterk in zijn: voor een kerkelijk volkje zijn dat poneren, redeneren en discussiëren. Te vaak ergerde ik mij afgelopen weken aan de thuiszittende theologen, predikanten en anderen uit die bubbel die mijn Twitter-tijdlijn vulden met bijvoorbeeld het intensieve en tijdvretende debat over wel of niet digitaal Avondmaal vieren. Beste mensen, dacht ik: staak je wild geraas, stap op de fiets en rijd naar het verzorgingshuis of seniorencomplex waar je oudste schapen blij verrast jou voor hun raam zien staan terwijl je met hen belt.

Zwaaipastoraat, daar is het nu de juiste tijd voor. Van meer grote betekenis dan door deze kleine goedheid te betrachten kun je heden ten dage nauwelijks zijn.

Deze column verschijnt binnenkort in magazine OnderWeg.

‘Wees maar bang’

De corona-pandemie heeft de impact van een wereldwijde oorlog: één om serieus bang voor te zijn. Dat ben ik dus ook, bang – en veel mensen met mij, merk ik. En dat mag. 

Soms heb je slechts een paar weekjes nodig om te ontdekken dat je banger bent dan je dacht. Het is mij overkomen, nu we volledig in de greep zijn geraakt van een epidemie die de ganse wereld tot crisisgebied maakte.

‘De Heer weet precies tijd en moment van mijn sterven’, zei ze.

Toen even geleden de run op mondkapjes het nieuws haalde maar ons land nog maar een handjevol corona-patiënten telde, sprak ik op het schoolplein een moeder. Of het terecht was, die gejaagde jacht op mondkapjes? ‘De Heer weet precies tijd en moment van mijn sterven’, zei ze. Ze citeerde Psalm 27: ‘Bij de Heer is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn?’ Ik mompelde iets bevestigends, dit was immers een volgelovig einde van alle tegenspraak?

De moeder kreeg in de dagen die volgden bijval in de christelijke pers. In het RD waar de hoofdredacteur getuigde dat ‘niet corona heerst, maar God regeert’. Even erna las ik dat een christenbroeder adviseerde ‘eerst je handen te vouwen, dan je handen te wassen’. Terwijl epidemiologen onbevattelijk onrustbarende scenario’s schetsten, infectiecijfers stegen, IC’s volliepen, beurskoersen kelderden en scholen sloten, kwam een ‘Gebed vanwege corona’ langs: ‘We willen vertrouwen dat het goed komt. We willen onszelf en anderen niet bang maken. Ons leven is uit en in uw hand. Behoed ons en bewaar ons. Amen.’

Vertel het elkaar, vertel het God of breng het zwijgend bij Hem.

Ik zie mensen die het hartelijk meebidden en in vol geloofsvertrouwen deze oorlog in de ogen kijken. Er is herkenning en toch vind ik het moeilijk – voel me wankelen tussen angst, bezorgdheid, ontzetting en momentjes van wiebelig Godsvertrouwen. Onze huidige vijand is onbekend, onvoorspelbaar en levensgevaarlijk: één om serieus bang voor te zijn. De Bijbel staat vol bemoedigende teksten over angst, zielstrelende verzen zelfs zoals in Psalm 56: ‘In mijn bangste uur vertrouw ik op U.’ Maar dit is niet het moment om ze te snel als een stel jongleerballen in de lucht te gooien.

Ben je bang? Kruip maar weg in je huis, spreek je uit, vertel het elkaar, vertel het God of breng het zwijgend bij Hem. Angst maakt afhankelijk en klein, het doet ons onze kwetsbaarheid en tijdelijkheid beseffen, zoals Okke Jager eens dichtte: ‘Verraadt ons aller angst zich niet, in wie het leven weerloos liet?’ Wees maar bang.

Esther de Hek publiceert regelmatig columns en artikelen, onder andere in magazine OnderWeg.

 

‘We hebben wat te kiezen. Respect of oordeel? Rust of haast? Vergeving of wrok?’

Een recente column over hoe ik tijdens mijn reis naar India zag hoe Indiase christenen omgaan met onrecht en vergeving leidde tot diverse reacties, waaronder één heel bijzondere. Daar schreef ik onderstaand stukje over.

Dat in de krant van vandaag morgen de vis wordt verpakt, kreeg ik al mee op de School voor Journalistiek. De doorlooptijd van online nieuws en blogs haalt die volgende dag vaak niet eens. Schrijfsels hebben slechts een vluchtige impact, leert de praktijk. Maar soms is het verrassend anders.

In de vorige editie van OnderWeg schreef ik een column over de keuze van de Indiase 17-jarige Aman om de moordenaars van zijn vader schijnbaar probleemloos te vergeven. Daags na publicatie kreeg ik een appje van een leeftijdsgenote. Ondertussen heeft ze een ingrijpende borstoperatie achter de rug maar toen stond ze daar nog voor. ‘Ik kon dat artikel van jou niet lezen’, schrijft ze. ‘Ik moest die hele moeilijke keuze maken welke operatie de beste is. Het maakte de keuze voor mij nog moeilijker. Ik dacht wel: waar maak ik me druk om, of ik nog wel een normale borst zou behouden? Terwijl er zo veel mensen zo veel moeten missen. Wij zoeken het vaak in andere wegen waar we veel keus hebben maar eigenlijk ook nog weleens in vastlopen.’

Ga ik ook mopperen? Of vraag ik of ik hem ergens mee kan helpen?

Het verhaal van Aman had haar aangemoedigd te kiezen in een situatie waarvoor je zelf niet kiest en het liefst helemaal geen keuze wíl maken. Dit zijn situaties waar iedereen vroeg of laat mee te maken krijgt – met de impact van een blikseminslag, alles op z’n kop zettend. Maar veel vaker dagelijks, tussen neus en lippen door. Net na opstaan aan het aanrecht bijvoorbeeld, waar ’s ochtends een chagrijnige puber mij aanzet tot hetzelfde chagrijn. Ga ik ook mopperen? Of vraag ik of ik hem ergens mee kan helpen? Wat kies ik? Harmonie of dispuut? Verbinding of verwijdering? Respect of oordeel? Rust of haast? Vergeving of wrok?

We hebben wat te kiezen. Ja, uit genade en door genade. Met ingehouden adem las ik het boek De keuze, waarin de 92-jarige psychologe en Auschwitz-overlevende Edith Eger beschrijft hoe vergeven vrij maakt. Anders denken en doen is een keuze, stelt zij. ‘Je kunt niet veranderen wat er is gebeurd, je kunt niet veranderen wat je hebt gedaan of wat je is aangedaan. Maar je kunt ervoor kiezen hoe je nú leeft.’

Deze column verschijnt volgende week in magazine OnderWeg. Probeer OnderWeg 3 maanden gratis.

‘Als vergeven in Nederland wat meer normaal was, zou dat iedereen ten goede komen’

Sinds mijn reis naar India houdt ‘het geheim van vergeven’ mij meer dan ooit bezig. Waarom is vergeven – ook voor mij – zo ingewikkeld en moeilijk, terwijl dit voor de door onrecht gekwelde Indiase christenen die ik sprak zo ‘makkelijk’ lijkt te zijn? ‘‘Het is cultuur’, schreef iemand.’

Vijf dagen achter elkaar hadden we tientallen mensen ontmoet, gesproken en weer afscheid van genomen. Een paar uur interviewmateriaal staat er op mijn telefoon –gesprekken met vrouwen vooral. Het verhaal van de christelijke vrouwen in India – ook wel ‘het gevaarlijkste land voor vrouwen’ genoemd – fascineert mij. Vrouw en ook nog christen, hoe is dat, wie zijn zij? Ik schreef erover en ben bezig met meer verhalen. Over de door onrecht, verdriet en tegenslag getekende christinnen die ik ontmoette – en hun veerkracht en geloof.

Deze drie woorden sloegen in als een bom

In dit stukje wil ik het niet over de vrouwen hebben maar over een paar woorden die groot, met pen omcirkeld in mijn aantekeningenboekje staan. Tienduizenden woorden zijn er tijdens onze reis met SDOK naar India gesproken maar deze drie sloegen in als een bom: ‘That’s normal’. Ze kwamen uit de mond van Aman, zoon van een predikant die in 2018 werd vermoord door een groepje Hindoe-extremisten. ‘Hoe wreed en barbaars de laatste uren van zijn leven moeten zijn geweest, krijgen we op foto’s te zien: ik voel weerzin en kijk weg naar mijn aantekeningenboekje’, zeg ik erover in een radiocolumn.

Die drie woorden zette ik in een vlaag van verbazing en ongeloof op papier toen ze een reactie bleken op de vraag of ze de daders van deze ijzingwekkende moord wel kón vergeven, zoals Aman’s moeder tegen ons zei. Aman zat naast me. ‘That’s normal’, hoorde ik hem zeggen zonder het antwoord van zijn moeder af te wachten. Oftewel: dat doe je gewoon.

Waarom lijkt vergeven daar zo moeiteloos en hier zo moeilijk te gaan?

Alsof er een knopje omging, houdt sindsdien het geheim van vergeven mij bezig. Waarom lijkt dat daar zo moeiteloos en hier zo moeilijk te gaan? Op de radiocolumn over Aman kreeg ik een aantal reacties, diverse met de strekking dat we vooral niet te simpel moeten spreken over vergeving. ‘Het is cultuur’, schreef iemand, net als even daarna prof. Bram van de Beek in het ND schreef over waarom mensen in Zuid-Afrika zo makkelijk vergeven: ‘je wilt verder’.

’Ik vind dát te makkelijk. Voor vergeven van onrecht en schade bestaat geen universeel draaiboek, daarvoor is het veel te complex. Maar als de geloofsvrucht van vergeving in Nederland wat meer ‘normaal’ zou zijn, zou dat iedereen ten goede komen.

Deze column verschijnt begin januari a.s. in magazine OnderWeg. Probeer OnderWeg 3 maanden gratis en ontvang ook dit nummer.

‘Meisjes en vrouwen empoweren, dat is wat Tannu eigenlijk doet in India’

Vorige week was ik op uitnodiging van SDOK in zuidelijk India. Samen met nog 4 reisgenoten ontmoetten we daar christenen, een minderheidsgroep die in India steeds vaker te maken heeft met mentaal en fysiek geweld, bedreiging, sociale uitsluiting, verwoesting van hun kerken en helaas zelfs moord. In Nederland willen we het verhaal van de zwaar belaagde Indiase christelijke gemeenschap doorvertellen, onder andere in de media. Groot Nieuws Radio zendt 3 radiocolumns uit die ik in India schreef, vanochtend over Tannu (niet haar echt naam, ook op de foto hierboven staat Tannu niet), een Indiase christin waar ik met respect naar kijk. Lees de column hieronder.

Tannu is een christin die ik in een goudgerand fotolijstje op mijn bureau zou willen zetten

Bij ons afscheid pak ik allebei haar handen even vast. Ze draagt de sari die ze ook aanhad toen ik haar voor het eerst ontmoette, op de zaterdag van onze aankomst in India. Tannu draagt altijd sari’s, vertelt ze, zoals bijna alle volwassen vrouwen, valt me later op. Haar ogen worden vochtig als ik haar vertel dat ik haar in mijn hart meeneem naar Nederland – en dat is eigenlijk voor het eerst, dat ik tranen zie in haar donkere ogen. ‘Thank you’, zegt ze alleen.

Ik heb de 58-jarige Tannu in mijn hart gesloten deze week dat zij ons vergezelt tijdens de ontmoetingen met christenen in zuidelijk India. Tannu is een christin die ik in een goudgerand fotolijstje op mijn bureau zou willen zetten, misschien doe ik het bij thuiskomst zelfs wel. Niet omdat ik haar, zoals in India veelvuldig gebeurt, wil vereren als een godin, maar om mij iedere keer haar wijsheid, bescheidenheid en rotsvast Godsgeloof in herinnering te brengen.

Eigenlijk vind ze dat ik veel te weinig eet, maar ze zal je niet snel iets opdringen – ze kijkt naar mijn lege bord, glimlacht en zegt verder niets.

Tannu is één van de krachtige vrouwen die van grote betekenis is voor de christelijke gemeenschap in een zuidelijke provincie van India. Dat is mijn conclusie na de kortere en langere gesprekjes die we hebben terwijl we onderweg zijn of fried rice en curry eten tijdens lunch en diner. Eigenlijk vind ze dat ik veel te weinig eet, maar ze zal je niet snel iets opdringen – ze kijkt naar mijn lege bord, glimlacht en zegt verder niets. Dat is Tannu.

Christenen in het zuidelijke deel van India kregen de afgelopen paar jaar steeds vaker te maken met mentaal en fysiek geweld, bedreiging, sociale uitsluiting, verwoesting van hun kerken en nog ernstiger: moord op voorgangers. Vaak zijn die voorgangers voormalige Hindoe-mannen uit kleinere dorpen die christen werden, gingen preken en een groep bekeerlingen om zich heen verzamelden. ‘Zij en hun kerken lopen het grootste gevaar lopen’, vertelt Tannu, ‘ze worden gehaat door Hindoe-extremisten die hun dorpen zuiver willen houden, dus Hindoe-dorpen.’

Over de bittere gevolgen van deze haat horen we deze week dagelijks, sterker nog: we kijken dagelijks de mannen en vrouwen in de ogen die hierdoor geslachtofferd zijn. Zoals dominee Swamy, getrouwd met Sujatha en vader van de meisjes Blessy en Nissy. We bezoeken hen thuis, op zondagmiddag. Als Swammy begin 2017 op straat evangeliseert, wordt hij zo mishandeld dat hij weken in coma ligt. Inmiddels is hij weer thuis, maar kan niet praten en lopen. Zijn vrouw en dochters verzorgen hem.

Haar aanpak is verrassend en tegendraads voor de Indiase cultuur, waar vrouwen duidelijk een ondergeschikte positie hebben.

Het zijn deze vrouwen, soms nog heel jong, voor wie Tannu van veel betekenis is, ontdek ik. Haar aanpak is verrassend en tegendraads voor de Indiase cultuur, waar vrouwen duidelijk een ondergeschikte positie hebben. Tannu stimuleert meisjes in haar kerk en omgeving om naar school te gaan, als het lukt te studeren.

Meisjes en vrouwen empoweren, dat is wat Tannu eigenlijk doet in India. In haar eigen, grotere kerk in de stad, tijdens de bezoeken die zij brengt aan gezinnen die getroffen zijn door geweld maar ook heel dichtbij, bij haar eigen dochter, zie ik. Wat is je belangrijkste doel hiermee, vraag ik haar een keer tijdens het eten? Een goede baan, financiële onafhankelijkheid voor vrouwen? Ze schudt haar hoofd en zegt: ‘Ik wil graag dat vrouwen wijs en weerbaar worden om in India het leven te leven dat vaak niet makkelijk is. En dat ze dat doen in geloof en vertrouwen op God.’

Ik wens de meisjes en vrouwen van India heel veel Tannu’s toe.

Lees en beluister de eerdere radiocolumns ook.

‘Ik zeg je eerlijk: het maakt me boos, dit onrecht in zijn puurste vorm’

Vorige week was ik op uitnodiging van SDOK in zuidelijk India. Samen met nog 4 reisgenoten ontmoetten we daar christenen, een minderheidsgroep die in India steeds vaker te maken heeft met mentaal en fysiek geweld, bedreiging, sociale uitsluiting, verwoesting van hun kerken en helaas zelfs moord. In Nederland willen we het verhaal van de zwaar belaagde Indiase christelijke gemeenschap doorvertellen, onder andere in de media. Groot Nieuws Radio zendt 3 radiocolumns uit die ik in India schreef, vanochtend over hoe het onrecht mij boos maakt. Lees de column ook hieronder.

Bijna direct valt mijn oog op Rukdei, een meisje om te zien nog, jeugdpuistjes en met een klein kind aan de borst.

‘De verdrietige ogen van Rukdei zijn eigenlijk met geen pen te beschrijven. Ik kan het in ieder geval niet, terwijl schrijven toch mijn vak is. Soms kún je iets niet beschrijven maar moet je het simpelweg zíen, zoals de ogen van Rukdei.

Ik ontmoet deze 22-jarige weduwe – want dat is zij, een weduwe – in een sobere, rommelige ruimte van een kerk in India. Ik ben er samen met drie andere christenen uit Nederland, en Richard Groenenboom van SDOK. Als we binnenkomen zitten Rukdei en nog zo’n twintig mensen – pastors, vrouwen die getrouwd zijn met een pastor en een paar predikantsweduwen – rustig op ons te wachten. Bijna direct valt mijn oog op Rukdei, een meisje om te zien nog, jeugdpuistjes en met een klein kind aan de borst. Als ik even later met haar aan tafel zit, vertelt ze haar verhaal en begrijp ik de intens verdrietige ogen.

Rukdei’s verhaal is het verhaal van onrecht zonder genoegdoening. En haar verhaal is slechts één van de vele in deze categorie in India, het land waar afgelopen paar jaar christenen steeds intensiever om hun geloof vervolgd worden. Wie, zoals wij doen, een paar dagen rondtrekt en christenen in dit land spreekt, ontdekt dat al hun verhalen ook dit gemeen hebben: hun geloof in de Drie-enige God was voor anderen reden om hen meedogenloos, keihard en vaak gruwelijk te grazen te nemen. Met regelmatig een dodelijke afloop.

Misschien, bedenk ik me in India, maakt het mij wel voor het eerst boos.

Ik zeg je eerlijk: het maakt me boos, dit onrecht in zijn puurste vorm. Misschien, bedenk ik me in India, maakt het mij wel voor het eerst boos. Terwijl ik de verhalen van – zoals we het dan noemen – ‘onze vervolgde broeders en zusters’ al jaren volg en lees. Maar niet eerder dan nu besef ik dat iedere aanval tegen elke christen, in India en andere landen, een grove misdaad is, waarbij de daders echter vrijwel altijd ongestraft blijven.

Zo ook de daders die Rukdei’s echtgenoot Sahade, een predikant, begin dit jaar met 25 steken in zijn rug om het leven brachten. Ze gingen als gezinnetje naar een bruiloftsdienst. Al vaker was Sahade door Hindoes uit het dorp waar zijn kerk stond gewaarschuwd dat hij moest stoppen met spreken over Jezus. Het dorp moest een Hindoe-dorp blijven. Ging hij toch door, zo waarschuwden ze, dat zou dat zijn dood zijn.

Het werd zijn dood, afgelopen 25 mei – een gruwelijke dood. Zijn vrouw Rukdei zag alles gebeuren, vertelt ze terwijl ze haar tranen afdroogt met haar sluier. En de daders? Die lopen vrij rond, onvoorstelbaar maar waar – dat bedoel ik: onrecht zonder genoegdoening.

Maar voor nu richt ik de schijnwerpers toch vooral op dat kwade, intens gemene onrecht dat gelovigen vaak ongezien moeten ondergaan.

Gelukkig is hiermee nog niet alles verteld en heeft eigenlijk ieder verhaal dat we daar in die kale zaal van onze Indiase broers en zussen horen een verrassend vervolg. Eén waarin geloof en vergeving royaal aan bod komen en de genoegdoening aan God gelaten wordt. Dat zal in de verhalen die we delen over deze reis nog vaak te horen zijn. Maar voor nu richt ik de schijnwerpers toch vooral op dat kwade, intens gemene onrecht dat gelovigen vaak ongezien moeten ondergaan. Die verdrietige ogen van Rukdei roepen mij op om dit niet gewoon te vinden, maar er verontwaardigd over te zijn en te bidden: ‘Heer, ontferm U over Rukdei en al die anderen’.

Lees en beluister de eerste radiocolumn ook.

‘Wat wij net op de vreselijke foto’s zagen, zag de 17-jarige Aman in het echt…’

Vorige week was ik op uitnodiging van SDOK in zuidelijk India. Samen met nog 4 reisgenoten ontmoetten we daar christenen, een minderheidsgroep die in India steeds vaker te maken heeft met mentaal en fysiek geweld, bedreiging, sociale uitsluiting, verwoesting van hun kerken en helaas zelfs moord. In Nederland willen we het verhaal van de zwaar belaagde Indiase christelijke gemeenschap doorvertellen, onder andere in de media. Vanochtend was op Groot Nieuws Radio de 1ste van de 3 radiocolumns te horen die ik in India schreef. Over de 17-jarige Aman, zoon van een vermoorde predikant. Lees de column ook hieronder.

17-jarigen verschillen wereldwijd niet zoveel. Bijna allemaal zitten ze regelmatig op Snapchat en Instagram, net als Aman.

‘Mijn oudste zoon is 17, Aman is dat ook. Ik denk dat ik daarom direct een klik voel als hij en zijn moeder binnenkomen bij de Indiase familie waar we zondagavond te gast zijn. Beetje baardgroei al, twee koppen groter dan ik, hip T-shirt en mobiel in de hand: 17-jarigen verschillen wereldwijd niet zoveel. Bijna allemaal zitten ze regelmatig op Snapchat en Instagram, net als Aman.

We gaan in een kring zitten om naar het verhaal van zijn moeder te luisteren, een kleine vrouw die regelmatig haar witte omslagdoek wat steviger om zich heen wikkelt. Geduldig en stil wacht ze op wat komt, wat de gasten uit Nederland van haar willen: een houding die je in India veel tegenkomt. Ongeduld en assertiviteit lijken in dit land geen royaal aanwezige persoonlijkheidskenmerken, valt me op als vrouw die beide juist wél in huis heeft. Iets om eens op te kauwen, bij terugkomst in Nederland.

Even later luisteren we als gasten die op uitnodiging van SDOK christenen in zuidelijk India bezoeken met een mengeling van huivering en compassie naar het verhaal van Heelda, Aman’s moeder. Vorig jaar werd haar man, een predikant in een kleiner dorp, op een gruwelijke manier vermoord door een groep Hindoe-extremisten. Hoe wreed en barbaars de laatste uren van zijn leven moeten zijn geweest, krijgen we op foto’s te zien: ik voel weerzin en kijk weg naar mijn aantekeningenboekje.

Het minste dat we elkaar in verdriet kunnen bieden zijn immers een luisterend oor en betrokken aanraking?

Aman zit naast me als we de foto’s van zijn vader zien. Zou hij het willen, even een hand op zijn schouder? 17, stoer – het kan zo maar heel ongemakkelijk zijn als een wildvreemde vrouw je dan aanraakt. Ik volg mijn hart en doe het toch: het minste dat we elkaar in verdriet kunnen bieden zijn immers een luisterend oor en betrokken aanraking?

Zijn moeder vervolgt haar verhaal, soms gebarend, meestal rustig en zonder zichtbare emotie. In een aantal Indiase deelstaten is het bij wet verboden te evangeliseren, mensen te vertellen over het bevrijdende werk van Jezus Christus. Dat deed Heelda’s man wel maar hij werd verraden, door nota bene een vriend. Al snel daarna volgde zijn vreselijke dood.

Hij vond niets, vertelt hij, fietste de volgende ochtend terug en vond het toen wél.

Het is Aman die ons vertelt dat zijn vader is verlinkt door een vriend – af en toe vult hij zijn moeder aan. Dat doet hij ook als zij verhaalt over de ontstellende uren die volgden na de moord op zijn vader. Toen Heelda vorig jaar een telefoontje kreeg dat haar man vermoord was, stapte Aman – 16 was hij nog – in het donker op de fiets om het lichaam van zijn vader te zoeken. Hij vond niets, vertelt hij, fietste de volgende ochtend terug en vond het toen wél. Wat wij net op de vreselijke foto’s zagen, zag hij in het echt…

Als zijn moeder vertelt dat ze, ondanks haar vragen, de moordenaars van haar man vergeven heeft, luistert Aman stilletjes. Maar is dat niet ontzettend moeilijk, vragen wij aan haar? Nog voordat Heelda aan haar antwoord begint, hoor ik Aman zachtjes naast me zeggen: ‘That’s normal’.

Kun jij het begrijpen, dat een 17-jarige puber wiens vader beestachtig vermoord is, de daders niet haat maar hen al genadig vergeven heeft? Ik vind het lastig maar vooral wonderlijk bijzonder. Die 17-jarige Aman, het had mijn zoon kunnen zijn, vergeet ik niet meer.’

Dinsdag en woensdag om 7.35 uur zendt Groot Nieuws Radio nog 2 radiocolumns uit. 

 

%d bloggers liken dit: